Door: Anne van Aartrijk
Anne van der Burg (34) is hoogzwanger van haar tweede als ze afgelopen mei nieuws krijgt dat haar leven volledig op z'n kop zet. Ze heeft ongeneeslijke longkanker. In een reeks artikelen deelt ze met &C waar ze doorheen gaat. Dit keer: het, voorzichtig, weer durven dromen.
'Stap voor stap,' zeiden Sander en ik in de eerste weken na mijn diagnose steeds tegen elkaar. Vandaag is vandaag, de zorgen van morgen dragen we morgen. We moesten wel, wilden we het aan kunnen. Maar naarmate de tijd verstreek, hadden we het vaker over 'over een paar dagen' of 'dit weekend'. Tijdens een nachtvoeding fluisterde Sander ineens: 'Heb je door hoe stap voor stap is veranderd in dag voor dag, en daarna in week voor week?' Hij heeft gelijk, dacht ik, en voordat ik kon reageren zei hij: 'En ook die veranderen straks langzaam in maand voor maand, en dan jaar voor jaar voor jaar.' Hij trok me dichter tegen zich aan en we knuffelden. Zo'n grote, stevige knuffel waardoor je je meteen veilig voelt. 'We leven inderdaad meer van week tot week,' zei ik, 'en dat voelt goed.'
Durven dromen
Zoals stap voor stap vervaagde, lieten we ook het 'wat als-scenario' los. Toen ik hoorde dat ik in het beste geval tien en in het slechtste geval twee jaar zou hebben, zeiden Sander en ik tegen elkaar: wat als het die twee jaar is? Wat zouden we dan doen met de kostbare tijd die we hebben? Die dingen gaan we nú doen, en dat blijven we de aankomende twee jaar doen. Zijn die twee jaar voorbij, dan gaan we uit van tien plus en terug naar ons normale leven. Op een gegeven moment moet je wel om door te kunnen, maar voor nu leven we ons wat als-scenario. We brachten zoveel mogelijk tijd door als gezin, planden dates in en boekten trips en vakanties waar we al lang naar uitkeken.
Op een van die vakanties, in Griekenland, zaten we na een fijne dag met z'n vieren in de auto. Ik zat op de achterbank naast Oliver en tuurde naar de zee. Even was het leven heel simpel en voelde ik enkel geluk. Alles wat ik nodig had, zat in deze auto. Daarna dwaalden mijn gedachten af: zou ik er volgende zomer nog zijn? Ineens voelde ik: ik wil hier niet meer over nadenken. Niet over of ik er nog ben, en niet over wat ik zou doen als dat niet het geval is. Ik wil doen wat Sander en ik zo graag deden en waar we zo goed in zijn samen, maar wat we de afgelopen maanden uit angst voor teleurstelling niet meer durfden: dromen. 'Zullen we afspreken dat dat weer mag?' vroeg ik Sander. 'Ook als het niet realistisch is? Simpelweg omdat het ons gelukkig maakt?' Zo melodramatisch als het klinkt, zo bijna zakelijk was de beslissing. Daar, op die snikhete achterbank, besloot ik: ik mag weer dromen. We mogen weer dromen.
Lees ook: Net moeder en ongeneeslijk ziek #5: 'Een patiëntennummer hebben is niet bepaald sexy'
De liefde vieren
Een van onze dromen was een liefdesfeest. Vanwege het koophuis en de kinderen waren Sander en ik al geregistreerd partners. Dat is nou eenmaal het handigst, maar heel romantisch vond ik het niet. Trouwen hoefde van ons allebei niet zo, omdat we niet geloven in het huwelijk zoals de kerk bedacht heeft. Maar waar we wel in geloven, is de liefde vieren. 'Als we vijftig zijn, geven we een liefdesfeest,' zeiden we altijd tegen elkaar. We fantaseerden over een avond met lekker eten, goede muziek en al onze dierbaren, waarop we terug konden kijken op onze al jarenlange liefde en het geregistreerd partnerschap om zouden zetten in een huwelijk.
Dat ga ik nu nooit meer ervaren, dacht ik toen ik ziek bleek. Sommige kankerpatiënten willen juist trouwen, maar ik had het tegenovergestelde. Als we dat feest ooit gaven, wilde ik dat we onze liefde zouden vieren. Niet: 'Hoera, Anne is er nog.' Dat is niet hoe ik het voor me zag en dus verdween de droom naar de achtergrond. Wat er een paar weken geleden gebeurde, zag ik dan ook allesbehalve aankomen.
Potje backgammon?
In januari gingen Sander en ik voor het eerst sinds alles, de diagnose en de geboorte van Oliver, samen weg. Een weekend naar Parijs. We liepen door een monumentale tuin, toen hij met rasse schreden richting een binnenplaats liep. Eh, dacht ik nog, moeten we deze mooie plek niet even in ons opnemen? Op een bankje klapte hij ons backgammon-bord open. Dat is 'ons' spel en nemen we letterlijk overal mee naartoe. 'Ik wilde een potje backgammon met je spelen..' begon hij, en hij haalde een ring tevoorschijn. Voordat hij zijn zin kon afmaken, begon ik al te huilen van geluk. Terwijl ik hem omhelsde, zat de mascara op mijn kin. 'Je moet wel ja zeggen!' lachte Sander. 'Ja!' riep ik uit. 'JA!'
Nu ben ik verloofd en kijk ik elke dag glimlachend naar mijn ring. Toen we thuiskwamen vroeg iedereen wanneer we gingen trouwen, maar het grappige was: daar hadden we allebei nog geen seconde over nagedacht. Eigenlijk staan we er, hoe gek het ook klinkt na een aanzoek, nog steeds hetzelfde in. Met het aanzoek wilde Sander me vooral laten zien: jij bent het voor mij. Nog steeds. Ik voel me soms zo schuldig dat hij in de bloei van zijn leven met een ongeneeslijk zieke vriendin opgescheept zit, en die schuldgevoelens wilde hij wegnemen. En ik denk dat hij een hele grote glimlach op mijn gezicht wilde zien. Dat is gelukt. En dat feest komt er wel een keer, wanneer en in welke vorm dat ook mag zijn.
Lees ook: Net moeder en ongeneeslijk ziek #4: 'Daar gaat mijn relatie, dacht ik'
Mama is bij jou
Tien maanden na mijn diagnose kijk ik met een overwegend goed gevoel naar de toekomst. Tegelijkertijd blijft het iets doodengs. Het gaat nu supergoed met me, maar bij mijn vorm kanker kan het zo zijn dat ik morgen ineens resistent word tegen het tablet. Als de kanker vervolgens terugkomt, kan het heel agressief zijn, maar het kan ook totaal niet agressief zijn. Eigenlijk is het volledig onvoorspelbaar. Elke goede scan is maar even een geruststelling, daarna is het weer hopen dat mijn lichaam tegen de kanker bestand blijft.
Mijn pijnlijkste onderwerp blijft: hoeveel tijd heb ik met mijn kinderen? Elke keer dat ik daaraan denk, breek ik. Ben ik er nog als ze naar de basisschool gaan? En de middelbare school? En als ze voor het eerst verliefd worden? Morris is pas tweeënhalf, maar laatst viel er al post van een basisschool in de bus. Blijkbaar moeten we nu al onze voorkeuren opgeven. De tranen rolden over mijn wangen, zo zielsgelukkig was ik met het briefje. Nu mogen we op scholen gaan kijken. Voor die mijlpaal ben ik zo dankbaar.
Eerder schreef ik dat de zin 'mama is altijd bij jou', die ik tegen Morris zeg als ik hem naar bed breng, ineens zo moeilijk was om uit te spreken. Iemand die deze reeks had gelezen, stuurde me: 'Mijn moeder zei dat ook altijd en heeft die zin voor me achtergelaten op een briefje. Als ik dat lees, hoor ik nog steeds haar stem.' Dat vond ik zoiets moois. Ik zeg de zin nu weer met voldoening in plaats van angst. Ook ga ik het opschrijven en in de leren enveloppen stoppen die ik voor Morris en Oliver aan het vullen ben. En het klopt ook: ik ben altijd bij ze. Misschien zal ik er ooit niet meer zijn, maar dan ben ik nog steeds bij ze.
Een voorlopig einde
Aan iedereen die de afgelopen weken meegelezen heeft, dankjewel voor jullie meeleven en woorden van steun. Ik deelde mijn verhaal omdat ik niet anders kon. Om te verwerken, te troosten en te inspireren. En voor mijn jongens. Voor nu sluit ik het af, in de hoop dat er nog meer komen zal. Een toekomst, een wonder, een genezing wellicht. Jullie deelden onze hoop, en daarvoor wil ik jullie oprecht bedanken. Hoop doet leven.
:quality(95))
:quality(95))
:quality(95))
:quality(95))
:quality(95))
:quality(95))