Door: Joanne Wienen
Anouk verruilde het stadsleven voor een yurt van 38 vierkante meter in de Betuwe. Tussen fluitende vogels, ritselende egeltjes en een dakraam vol sterren vond ze niet alleen rust, maar ook een plek die voelt als thuiskomen.
Anouk (55): Het fijnst aan wonen in een yurt vind ik dat je het hele jaar door dicht bij de natuur bent. Er zijn geen dikke muren die geluid buiten houden, dus ik hoor alles: de wind, fluitende vogels, regen, rondscharrelende egeltjes. En omdat de bovenkant van de yurt een lichtkoepel is, lig ik in een heldere nacht naar de maan en sterren te kijken. Je wordt er ook vrij vroeg wakker door trouwens, dus ik draag wel een slaapmasker. Maar als ik dan wakker word, is een van de eerste dingen die ik ’s ochtends doe de deur openzetten om de buitenlucht op te snuiven. In een yurt wonen is iets wat toevallig op mijn pad kwam, maar nu ik hier eenmaal zit, voel ik heel sterk dat het bij mij past.
Al dertien jaar heb ik een stacaravan in de bossen, waar ik mijn zomers doorbracht. In de winter, als de caravans naar de stalling moesten, ging ik terug naar mijn appartement in de stad. Maar vijf jaar geleden viel ik uit door ziekte en een auto-ongeluk, gevolgd door een gigantische burn-out. Ineens kon ik de prikkels van de stad niet meer aan. Ik verlangde naar een betaalbare plek in de natuur, waar ik het hele jaar door kon wonen. En toen zag ik ineens het Facebook-oproepje van de eigenaar van deze yurt. Hij zocht iemand om doordeweeks in zijn yurt te wonen. Zo kwam ik hier een jaar geleden terecht. Het was een gekke tijd. Mijn relatie was net uit, ik woonde ineens in een regio waar ik de weg niet wist en niemand kende en het was ook nog eens najaar dus vroeg donker. Daardoor voelde ik me ontheemd, maar de yurt zelf was meteen mijn veilige haven. In spirituele kringen noemen ze een yurt ook wel ‘de baarmoeder van de natuur’, en zo ervaar ik het ook.
Dat er geen hoeken zijn, doet iets met de energie, waardoor het binnen veilig en geborgen voelt. Ik mis eigenlijk niets uit een ‘normaal’ huis. Alles wat ik nodig heb, staat in deze ronde ruimte: een bed, eettafel, keuken, kast, ijskast, bank en houtkachel. Er is stromend warm water, wifi en een gasfornuis. Voor douche en wc loop ik naar het gezamenlijke toiletgebouw, dertig stappen verderop. Geen campingtoilet, maar een mooi, schoon gebouwtje, met een kast waarin iedereen zijn wasmiddel en shampoo heeft staan, met naam erop.
‘Is het niet ijskoud in de winter?’ vragen mensen vaak als ik vertel hoe ik woon. Maar yurten komen oorspronkelijk uit Mongolië en zijn gebouwd op de kou. Persoonlijk vind ik de winter juist het fijnst hier, want in de zomer kan het snikheet worden, met de zon die de hele dag op dat daklicht staat. Mensen die me kennen, waren niet verbaasd toen ik vertelde dat ik hier ging wonen: ik ben van nature een nomade, ben in mijn leven al zo’n 25 keer verhuisd. Of ik hier voor altijd blijf, weet ik niet, maar zo’n yurt zie ik voor langere termijn wel zitten. Ik ben aan het kijken of ik er zelf één kan kopen.’
Dit artikel staat in de nieuwste editie 'Meer bos, minder blabla' die nu in de winkels ligt.
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))
:quality(85))