Door: Anna Karolina Caban
Ik voel Anna’s handen nog steeds in de mijne, maar nu als slechts een flauwe afdruk van wat zich hier een klein uur geleden heeft afgespeeld. Het lichaam van Iris is snel weggehaald. Alsof het een routineklus is om hier lijken weg te werken. Ik werd nauwlettend in de gaten gehouden tijdens de operatie, maar nu iedereen weg is en de sporen zijn gewist lijken ze mij te zijn vergeten. Niemand kijkt naar me om. Alsof ik geen betekenis heb, maar vooral ook geen dreiging uitstraal. Hij heeft mijn vrouw. Dat beest heeft mijn vrouw en niemand maalt erom. Ik probeer te bedenken wat ik allemaal over hem weet. Waar kan hij haar naartoe hebben gebracht?
Ik ren door de gangen en open iedere deur in de hoop iets te vinden dat eruitziet als een kantoor. Na zes pogingen heb ik beet. De lades zijn op slot, maar mijn woede en onmacht weten daar wel raad mee en binnen no time heb ik het ding aan stukken. Niks, helemaal niks. Allemaal onduidelijke paperassen. De onderste lade heeft het als enige gered en met helse kracht stamp ik het ding kapot met mijn voet. Er schuift een wapen uit, twee granaten en een bakbeest van een satelliettelefoon. Het zal me niks verbazen als hij ergens onder de grond zit met haar, of ergens in the middle of nowhere waar geen bereik is. Natuurlijk hebben dit soort mannen toevluchtsoorden waar geen mens zomaar komt. Ik gris de spullen mee en ren naar buiten.
De wagen waar Iris en ik mee gekomen zijn staat onbeheerd voor het gebouw en ik krijg de indruk dat niemand hier beseft waartoe ik in staat ben. Dat kan alleen als hij zich volledig veilig waant. Nou, dat zullen we nog weleens zien. Ik bel met mijn eigen mobiel naar het bureau.
‘Chef!’
‘Waar zit je verdomme?’
‘In Mexico. Er is een ontvoering geweest. Ik zoek naar een plek waar Alejandro J Hernández zich mogelijk kan bevinden. Laat het uitzoeken. We hebben wel vaker met hem samengewerkt aan een klus vroeger.’
‘Dit valt buiten het boekje, jongen.’
‘Je moet me helpen. Je moet alle informatie die je hebt sturen. Zijn huizen, vrouwen, kinderen, alles.’
‘Wat is er echt aan de hand, jongen? Dit klinkt verre van goed.’
‘Hij heeft haar, hij heeft mijn vrouw.’
Het blijft stil maar al snel hoor ik aan zijn ademhaling dat hij zijn keuze heeft gemaakt.
‘Ik bel je.’
Ik rijd weg en volg daarbij de sporen van de banden van de wagens die net vertrokken zijn. Uren later stop ik bij een wegrestaurant. Mijn ogen prikken, mijn keel schuurt, mijn maag rammelt. Ik ben uitgedroogd en uitgehongerd.
Het is niets anders dan een veredelde snackbar, maar dat voldoet voor nu. Ik bestel een hamburger met friet en een cola. Ongeduldig staar ik naar mijn mobiel in afwachting van een verlossend telefoontje van de chef.
‘You are not from here.’
Een diepe, schorre mannenstem klinkt achter me en ik draai me geagiteerd om.
‘Don’t worry, son, I was only trying to make conversation.’
De man is oud, duidelijk blind en zit met een geopende mond alleen aan een tafeltje met vier stoelen.
‘I’ve lived here for more than seventy years. I can smell who’s from here and who’s just visiting this hell.’
Ik sluit mijn ogen, denk even na en schuif mijn stoel naar achteren. Er verschijnt een flauwe glimlach op zijn gezicht op het moment dat ik tegenover hem ga zitten.
‘I’m looking for someone.’
‘Aren’t we all? Who’re you looking for?’
‘Alejandro. Alejandro J Hernández.’
Zijn kaak hangt ineens omlaag en zijn kunstgebit lijkt er ieder moment uit te vallen.
Het bord met eten wordt voor mijn neus gezet en zonder nog iets van de ouwe te verwachten neem ik een hap. Het smaakt verdomd lekker. Niet normaal hoe je eten waardeert op het moment dat schaarste toeneemt.
De man voor me trekt een zwarte rozenkrans vanonder zijn denim blouse vandaan en beweegt over de kralen.
‘I know that man. I know that man very well.’
Ik stop met eten.
‘He killed my family. He took my eyes. There are a few places where you can find him.’
Wordt vervolgd
:quality(95))
:quality(95))
:quality(95))
:quality(95))
:quality(95))
:quality(95))