Door: Anna Karolina Caban
'Ik moet vanmiddag op pad. Red je het hier?'
Sinds wij samen zijn in het huis van zijn zieke moeder lijkt hij wel een ander mens. Haar aanwezigheid maakt hem zachter en menselijker. Een gevaarlijke combinatie met zijn brute woeste aard. Dit is niet hoe ik hem wil zien. Stukje voor stukje brokkelt mijn aversie tegen zijn persoon af. Het was veiliger om hem te zien als de wildeling die mijn seksuele fantasie wist aan te wakkeren en niet als een man van vlees en bloed en vooral gevoel.
'Ja, maak je geen zorgen. Komt goed.'
'De medicijnen liggen op haar nachtkastje. Je weet de dosering?'
Zijn blik krijgt een donkerte op het moment dat hij het vraagt. Even schiet het door mijn hoofd dat hij zich ervan wil verzekeren dat ik te vertrouwen ben. Na al die tijd dat hij samen met mij doorgebracht heeft de afgelopen maanden is er nog steeds sprake van zijn paranoia. Ik knik bevestigend en moet bekennen dat door zijn stille blik ik heel even een zwarte gedachte bij mezelf bemerk dat het leven van zijn moeder inderdaad in mijn handen
ligt. Hij trekt mij naar zich toe en plant een kus op mijn voorhoofd. Na de woeste seks van laatst heeft hij mij met geen vinger meer aangeraakt op die manier.
'Je wordt mijn vrouw en ik respecteer je te veel om je nu iedere dag volledig uit elkaar te trekken.'
Ik hoor het hem nog zeggen na de eerste nacht dat er niks was gebeurd. Grappig. Werkt het zo? Dus toen ik nog niet je vrouw zou worden maakte het je niks uit en kon je mij pakken als een willoos stuk vlees? En nu ben ik een fragiel schepsel dat onaangeraakt dient te blijven tot de neppe huwelijksnacht? Ik leg mij erbij neer dat ik het nooit zal begrijpen wat er in zijn hoofd omgaat als ook in het hoofd van Sebastiaan. Ik begrijp nog steeds niet wat daar is gebeurd. Hij heeft mij achtergelaten. Het was definitief. Ik zag het. Hij zag iets wat hem van mij
deed vluchten. Wat de band tussen ons deed oprekken en breken. Zijn hartslag, dat altijd nagalmde in mijn eigen borst, is sinds zijn vertrek niet meer voelbaar. Ik zet koffie voor mezelf en kijk de auto van Alejadro na. De schaduw van een van zijn mannen is zichtbaar op het stoepje voor het huis. Nu Sebastiaan het adres heeft
weten te achterhalen weet Alejandro dat wij niet veilig zijn.
Gek hoe flexibel je bent als mens en hoe snel je went aan een nieuwe realiteit. Ook al kan mijn brein niks van wat hier gebeurt nog helemaal bevatten, de routine van de dag begint langzaam erin te trekken. Koffie, op de bank zitten en kijken naar vage televisie, zijn moeder de medicijnen geven, weer terug naar beneden, een dutje
doen, en wachten, alsmaar wachten. Wachten totdat hij weer terugkomt en iedere keer weer een beetje geluk voelen dat hij het er weer heelhuids vanaf heeft gebracht. Je leert houden van een man die ook je einde kan betekenen. Niemand is eendimensionaal. Ik zie zijn gebreken, zijn waanzin, de zwarte hoofdstukken uit zijn
leven. Maar ik zie ook de magische dingen die hem maken tot de man die hij is. Niemand is geboren zonder ziel. Iedereen heeft er een. En blijkbaar speelt hij niet zozeer een rol in mijn leven nu als dat ik een rol in de zijne vervul. Er is iets wat ik hier te doen heb ook al weet ik nog niet precies wat dat is.
Een gestommel van boven doet mij ontwaken uit mijn gedachten. Ik kijk op de klok. De uren schieten voorbij wanneer je niks te doen hebt ook al zou je het tegendeel denken. Ze is vast onrustig. Het is tijd voor haar medicijnen. Ik loop naar boven en kijk naar het lege bed. Mijn hart verstild. Het potje met medicijnen ligt geopend op het kasje. Ik hoor een diep hijgen en zie nu pas haar enkels vanachter het bed liggen.
'Fuck, fuck, fuck, nee dit kan nu niet gebeuren. Dit mag niet gebeuren.'
Mijn hele lichaam vult zich met overweldigende angst.
'Alsjeblieft, blijf leven. Alsjeblief.'
Ik kniel neer bij het lijf dat omwikkeld is met allerlei slangen dat het klaarblijkelijk met al zijn kracht en zwaarte meegetrokken heeft bij de val.
Wordt vervolgd.
:quality(95))
:quality(95))
:quality(95))
:quality(95))